1 Toen de ark van God aangekomen was, zette men haar op haar plaats, midden in de tent, die David voor haar had gespannen. Daarna droeg David brand- en vredeoffers aan God op;
4 Daarna belastte hij enige levieten met de dienst van de ark van Jahweh: ze moesten Jahweh, den God van Israël, danken, loven en prijzen.
8 Looft Jahweh, verkondigt zijn Naam, Maakt onder de volken zijn daden bekend;
10 Roemt in zijn heilige Naam: Vreugd moet er zijn in de harten der Jahweh-vereerders! Wendt u tot Jahweh en zijn macht,
13Gij kinderen van Israël, zijn dienaar; Gij zonen van Jakob, zijn vriend!
14Hij, Jahweh, is onze God; Voor heel de aarde gelden zijn wetten!
15Hij blijft zijn verbond voor eeuwig indachtig, En zijn belofte in duizend geslachten:
16Het verbond met Abraham gesloten, De belofte, aan Isaäk gezworen.
17En Hij heeft die belofte aan Jakob bekrachtigd, Aan Israël het eeuwig verbond:
18Hij zeide: “Aan u zal Ik geven Het land van Kanaän als uw erfdeel”.
21 Duldde Hij niet, dat iemand ze kwelde, Maar tuchtigde koningen om hunnentwil:
22 “Raakt mijn gezalfden niet aan, En doet mijn profeten geen leed!”
23 Heel de aarde, zingt Jahweh ter eer! Verkondigt zijn heil iedere dag;
25 Want groot is Jahweh, hoog te prijzen, En boven alle goden te vrezen.
26 Ja, alle goden der volkeren zijn niets, Maar Jahweh heeft de hemel gemaakt.
31 Laat de hemelen juichen, de aarde jubelen, Laat de volken roepen: Jahweh is koning!
34 Looft Jahweh, want Hij is goed, En zijn genade duurt eeuwig!
37 Toen liet hij daar Asaf en zijn ambtgenoten voor de verbondsark van Jahweh, om zonder ophouden dienst te doen voor de ark, zoals het voor iedere dag was voorgeschreven; en als poortwachters Obed-Edom,
38 den zoon van Jedoetoen, en Chosa, met acht en zestig stamgenoten.
43 Daarna ging heel het volk naar huis, en David keerde terug, om zijn gezin te begroeten.