1 Kronieken 2:1 nld1939 - Bible AI

1Hier volgen de zonen van Israël: Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issakar, Zabulon,

2Dan, Josef, Benjamin, Neftali, Gad en Aser.

3De zonen van Juda waren Er, Onan en Sjela; deze drie werden hem geschonken door Bat-Sjóea, de kanaänietische. Er, Juda’s oudste zoon, deugde niet in Jahweh’s ogen; daarom strafte Hij hem met de dood.

4Zijn schoondochter Tamar schonk hem Fáres en Zara. Juda had dus in het geheel vijf kinderen.

5De zonen van Fáres waren Chesron en Chamoel.

6De zonen van Zara waren: Zimri, Etan, Heman, Kalkol en Déra; in het geheel vijf.

7De zoon van Zimri was Karmi; de zoon van Karmi was Akar, die Israël in het verderf stortte, omdat hij zich aan de ban vergreep.

8De zoon van Etan was Azarja.

9De zonen, die Chesron kreeg, waren Jerachmeël, Ram en Keloebai.

10Ram verwekte Amminadab; Amminadab verwekte Naässon, het opperhoofd der Judeërs;

11Naässon verwekte Salma; Salma verwekte Bóoz,

12Bóoz verwekte Obed; Obed verwekte Jesse.

13Jesse verwekte Eliab zijn eerstgeborene, Abinadab zijn tweede, Sjima zijn derde,

14Netanel zijn vierde, Raddai zijn vijfde,

15Osem zijn zesde, en David zijn zevende zoon.

18Kaleb, de zoon van Chesron, kreeg van zijn vrouw Azoeba een dochter, Jeriot genaamd; haar zonen waren: Jésjer, Sjobab en Ardon.

19Na de dood van Azoeba trouwde Kaleb met Efrat; deze schonk hem Choer.

20Choer verwekte Oeri, Oeri verwekte Besalel.

21Later hield Chesron gemeenschap met de dochter van Makir, den stamvader van Gilad; hij huwde haar, ofschoon hij al zestig was, en zij schonk hem Segoeb.

22Segoeb verwekte Jaïr; hij beschikte over drie en twintig steden in het land Gilad.

23Maar Gesjoer en Aram ontnamen hun de kampementen van Jaïr, namelijk Kenat met bijbehorende plaatsen; in het geheel zestig plaatsen, allemaal stichtingen van Makir, den stamvader van Gilad.

24Na de dood van Chesron hield Kaleb gemeenschap met de vrouw van zijn vader Chesron, en zij schonk hem Asjchoer, den stichter van Tekóa.

25De zonen van Jerachmeël, den oudsten zoon van Chesron waren: Ram, de oudste, en zijn broers Boena, Oren, en Osem.

26Ook had Jerachmeël nog een andere vrouw, die Atara heette; zij was de moeder van Onam.

27De zonen van Ram, den oudsten zoon van Jerachmeël, waren: Máas, Jamin en Éker.

28De zonen van Onam waren Sjammai en Jada. De zonen van Sjammai waren Nadab en Abisjoer.

29De vrouw van Abisjoer heette Abicháil; zij schonk hem Achban en Molid.

30De zonen van Nadab waren Séled en Appáim. Séled stierf zonder kinderen,

31maar Appáim verwekte Jisji. De zoon van Jisji was Sjesjan. De zoon van Sjesjan was Achlai.

32De zonen van Jada, den broer van Sjammai, waren Jéter en Jonatan. Jéter stierf zonder kinderen,

33maar Jonatan verwekte Pélet en Zaza. Dit waren de afstammelingen van Jerachmeël.

34Sjesjan had alleen maar dochters, geen zonen. Sjesjan bezat echter een egyptischen slaaf, die Jarcha heette;

35daarom gaf Sjesjan zijn dochter tot vrouw aan zijn slaaf Jarcha; zij schonk hem Attai.

36Attai verwekte Natan; Natan verwekte Zabad;

37Zabad verwekte Eflal; Eflal verwekte Obed;

38Obed verwekte Jehoe; Jehoe verwekte Azarja;

39Azarja verwekte Chéles; Chéles verwekte Elasa;

40Elasa verwekte Sismai; Sismai verwekte Sjalloem;

41Sjalloem verwekte Jekamja; Jekamja verwekte Elisjama.

50 Dit waren de afstammelingen van Kaleb. De zonen van Choer, den oudsten zoon van Efrat, waren Sjobal de vader van Kirjat-Jearim,

51 Salma de vader van Betlehem, en Charef de vader van Bet-Gader.

PUBLIC DOMAIN
>