2 Korintiers 6:1-18 nld1939 - Bible AI

1 Als medearbeiders vermanen we u bovendien, om Gods genade niet vruchteloos te ontvangen.

3 Op geen enkel punt geven we aanstoot, opdat er geen smet op de bediening valt.

5 In slagen, gevangenschap en woeling, In arbeid, nachtwaken en vasten;

6 Door reinheid, kennis en lankmoedigheid, Door goedheid, heilige geest en ongeveinsde liefde;

10 Als treurenden, toch steeds verheugd; Als armen, en velen maken we rijk; Als bezitlozen, toch bezitten we alles.

14 Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk. Want wat hebben gerechtigheid en ongerechtigheid gemeen, of wat heeft het licht met duisternis te maken;

15 wat overeenkomst is er tussen Christus en Bélial, of wat heeft de gelovige met den ongelovige gemeen?

16 En wat heeft een tempel Gods met afgoden uit te staan? Welnu, wij zijn een tempel van den levenden God! Daarom heeft God gesproken: “Ik zal onder hen wonen en wandelen, Ik zal hun God zijn, zij mijn volk.

17 Daarom dan, gaat van hen weg, Zondert u af, zegt de Heer. Raakt niets aan wat onrein is.

18 Dan zal Ik u aannemen, En u tot Vader zijn, Gij Mij tot zonen en dochters; Zegt de almachtige Heer.”

PUBLIC DOMAIN
/div>