1 Ik kom in mijn hof, mijn zuster, bruid; Ik pluk er mijn mirre en balsem, Ik eet er mijn raat en mijn honing, Ik drink er mijn wijn en mijn melk! “Eet vrienden, en drinktl, En wordt dronken van liefde!”
2Ik sluimerde, maar mijn hart was wakker: Daar hoorde ik mijn beminde kloppen! “Doe open, mijn zuster, Mijn liefste, mijn duifje, mijn schoonste; Want mijn hoofd is nat van de dauw, Mijn lokken zijn klam van de nacht.”
12Zijn ogen als duiven Aan de waterbeken, Die zich baden in melk Aan de volle vijver gezeten.