Jeremia 23:1 nld1939 - Bible AI

1 Wee de herders, die vernielen en verstrooien De kudde mijner weide, spreekt Jahweh!

3 Ikzelf zal de rest van mijn schapen verzamelen, Uit alle landen, waarheen Ik ze heb verstrooid; Ik breng ze weer terug naar hun weide, Waar ze gedijen en groeien.

5 Zie, de dagen komen, spreekt Jahweh, Dat Ik David een rechtvaardige Spruit zal verwekken, Een Koning, die met wijsheid zal heersen, En recht en gerechtigheid doen in het land.

6 In zijn dagen zal Juda worden verlost, En Israël in veiligheid wonen; En dit is de Naam, waarmee men Hem noemt: Jahweh, onze gerechtigheid!

14 Maar bij Jerusalems profeten Heb Ik gruwelen ontdekt. Door hun overspel En hun omgaan met leugens Versterken ze de bozen nog in hun kwaad: Zodat niemand zich van zijn boosheid bekeert. En allen voor Mij als Sodoma werden, Als Gomorra al haar bewoners.

16 Zo spreekt Jahweh der heirscharen: Luistert niet naar het woord dier profeten, Die voor u de toekomst voorzeggen: Zij verdwazen u slechts, Ze verkonden visioenen van eigen vinding, Niet op Jahweh’s bevel!

19 Neen, de storm van Jahweh zal komen, De gramschap barst los als een wervelwind, Op het hoofd der bozen stort zij zich uit!

20 De toorn van Jahweh legt zich niet neer, Eer Hij zijn plannen heeft ten uitvoer gebracht: Ten leste zult ge het zelf ondervinden!

23 Ben Ik enkel een God van dichtbij, spreekt Jahweh; Geen God uit de verte?

24 Kan iemand zich in een schuilhoek verbergen, Zodat Ik hem niet zou bespeuren, spreekt Jahweh? Vervul Ik niet hemel en aarde: Is de godsspraak van Jahweh!

29 Is mijn woord niet als vuur, Als een hamer, die de rotssteen vergruizelt?

33 En wanneer dit volk u komt vragen, Of een profeet of een priester: Waar is dan toch “de Last van Jahweh”, Dan moet ge hun zeggen: Gijzelf zijt die last, En Ik werp u af, is de godsspraak van Jahweh!

34 En de profeet, de priester of leek, Die zeggen durft: “Een Last van Jahweh”, Dien zal Ik straffen, hem en zijn huis!

35 Dit moogt ge alleen tot elkander zeggen: “Wat heeft Jahweh geantwoord, Wat heeft Jahweh gezegd?”

36 Ge moogt niet meer spreken van “Last van Jahweh”; Want die “Last” berust op uw eigen woord, En gij verdraait de woorden van den levenden God, Van Jahweh der heirscharen, onzen God.

37Zo moet ge den profeet ondervragen: “Wat heeft Jahweh geantwoord, wat heeft Jahweh gezegd?”

38 Maar zo ge nog spreekt van “Een Last van Jahweh”, Waarachtig, dan zal Jahweh u zeggen: Omdat ge dit woord durft gebruiken: “Een Last van Jahweh”, Ofschoon Ik u toch liet zeggen: Ge moogt niet meer spreken van “Een Last van Jahweh”: