1 Elifaz van Teman nam het woord en sprak:
5 Daar uw schuldig geweten uw mond onderricht, En gij de taal van bedriegers kiest,
8 Luistert ge toe in de raad van God, En hebt ge beslag op de Wijsheid gelegd?
11 Zijn soms voor ú de vertroostingen Gods te gering, Het woord, met zachtheid tot u gesproken?
14 Wat is een mens, dat hij rein zou zijn, Rechtschapen, die uit een vrouw is geboren?
15 Zie, zelfs op zijn Heiligen kan Hij niet bouwen, En de hemel is niet rein in zijn oog;
16 Hoeveel minder de mens, afschuwelijk, bedorven, Die de ongerechtigheid als water drinkt!
20 De goddeloze verkeert heel zijn leven in angst, De tyran al de jaren, die voor hem zijn bedongen;
21 Schrikgeluiden treffen zijn oren, In volle vrede stormt de plunderaar op hem af.
22 Hij hoopt niet eens, aan de duisternis te ontsnappen, En is bestemd voor het zwaard;
23 Hij wordt als een aas voor de gieren geworpen, En weet, dat sombere dagen hem wachten.
24 Benauwdheid en angst grijpt hem aan, Als een koning ten aanval gereed:
25 Want hij heeft zijn hand tegen God opgeheven, Den Almachtige durven trotseren;
26 Is met trotse nek op Hem afgestormd, Met zijn zwaar beslagen rondas!
27 Omdat hij zijn gelaat met vet heeft bedekt, En een vetlaag gelegd op zijn lenden:
31 Laat hem niet op zijn gestalte vertrouwen, Hij komt bedrogen uit, ze is enkel schijn.