1 Kent gij de tijd, waarop de gemzen springen, Neemt gij het jongen der hinden waar;
27 Neemt op uw bevel de gier zijn vlucht, En bouwt hij zijn nest in de hoogte?
28Hij woont en nestelt op rotsen, Op steile en ontoegankelijke klippen;
29Van daar beloert hij zijn prooi, Uit de verte spieden zijn ogen.
30Zijn jongen slurpen bloed, Waar lijken liggen, hij is er terstond!