2 Ik weet, dat Gij alles vermoogt, En geen uwer plannen wordt verijdeld.
4 Ach, luister toch, als ik spreek; En leer mij, als ik U vragen stel!
5 Door horen zeggen heb ik van U vernomen, Maar thans heeft mijn eigen oog U aanschouwd:
6 Daarom herroep ik, wat ik gezegd heb, En doe ik boete in stof en as!
7 Toen Jahweh tot Job dit betoog had gehouden, sprak Hij tot Elifaz van Teman: Mijn gramschap is tegen u en uw beide vrienden ontstoken, omdat gij over Mij de waarheid niet hebt gezegd, evenals mijn dienaar Job.
10 Nadat Job dus voor zijn vrienden gebeden had, herstelde hem Jahweh niet alleen in zijn vroegere staat, maar schonk hem het dubbele van wat hij vroeger bezat.
12 En Jahweh zegende het verder leven van Job nog meer dan het vroegere: hij kreeg veertienduizend schapen en zesduizend kamelen, duizend koppel runderen en duizend ezelinnen.
14de eerste noemde hij Jemima, de tweede Kesia en de derde Kéren-Happoek.