1 Dode vliegen verpesten welriekende balsem; Zo verliest de edelste wijsheid door een weinig dwaasheid haar roem.
5 Nog een ander kwaad zag ik onder de zon: Vergissingen door vorsten begaan.
6 De dwaas wordt op hoge posten geplaatst, En vele aanzienlijken blijven ten achter;
7 Dienstknechten zag ik te paard, En prinsen gingen als slaven te voet.
19 Om te genieten legt men maaltijden aan, En wijn vervrolijkt het leven; Voor geld is alles te krijgen.
20 Vloek den koning zelfs niet op uw sponde, En scheld zelfs in uw slaapvertrek niet op den rijke; Want de vogels in de lucht kraaien het rond, En de fladderaars brengen het uit.