1 Waarom, Jahweh, zoudt Gij veraf blijven staan, U verbergen in tijden van nood?
2 Waarom zou de arme zich ergeren aan de trots van den boze, In de listen worden verstrikt, die hij spon?
3 Zie, de goddeloze pocht op zijn lusten, De woekeraar prijst zich gelukkig,
4 De zondaar trekt honend zijn neus op voor Jahweh, En denkt maar: “Hij straft niet; er is geen God!”
7 Zijn mond zit vol bedrog en geweld, Verderf en onheil kleven aan zijn tong.
9 Hij ligt op de loer als een leeuw in zijn hol; Hij besluipt den ongelukkige, om hem te bespringen, Grijpt hem vast, en sleept hem weg in zijn net.
11 En hij zegt bij zich zelf: “God vergeet het! Hij verbergt zijn gelaat; Hij ziet het niet eens!”
14 Gij ziet toch het leed en de ellende; Gij blikt er op neer, om ze te wreken! De zwakke verlaat zich op U, En een wees hebt Gij altijd geholpen!
17 Hoor het smachtend verlangen der armen, o Jahweh; Luister naar de roep van hun hart: