1 Brengt Jahweh dank, want Hij is goed, En zijn genade duurt eeuwig!
2 Zo moeten getuigen, die door Jahweh verlost zijn, En door Hem uit de nood zijn gered;
3 Die Hij van alle kant hierheen heeft gebracht, Van oost en west, van noord en zuid.
6 Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
9 Want den dorstige heeft Hij gelaafd, Den hongerige heeft Hij verzadigd!
10 Anderen zaten in duister en donker, In ellende en boeien gekluisterd;
14 Hij haalde ze uit het duister en donker, En verbrak hun boeien.
17 Anderen werden ziek door hun zondige wandel, Hadden smarten te lijden om hun schuld;
18 Alle voedsel begon hun te walgen, En ze stonden al dicht bij de poorten des doods.
19 Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten.
20 Hij sprak: en ze werden genezen, En Hij ontrukte hen weer aan het graf.
21 Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
22 Laat ze dankoffers brengen, En jubelend zijn werken vermelden!
23 Anderen staken op schepen in zee, Om handel te drijven op de onmetelijke wateren.
24 Ook zij hebben Jahweh’s werken aanschouwd, In de kolken zijn wonderen.
25 Hij sprak: en er stak een stormwind op, Die zwiepte de golven omhoog;
26 Ze vlogen op naar de hemel, ploften neer in de diepten, En vergingen van angst;
27 Ze rolden en tuimelden, als waren ze dronken, En al hun zeemanschap was tevergeefs.
28 Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
29 Hij bedaarde de storm tot een bries, En de golven legden zich neer;
30 Wat waren ze blij, toen het kalm was geworden, En Hij hen naar de verbeide haven geleidde!
31 Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
38 Hij zegent hen: ze worden zeer talrijk, En Hij vermeerdert hun vee.