1 Gij rechtvaardigen, heft Jahweh een jubelzang aan; De psalm is een lust voor de vromen!
3 Stemt een nieuw lied voor Hem aan, Tokkelt de lieren, lustig en luid!
4 Want Jahweh’s woord is waarachtig, Onveranderlijk al zijn daden.
5 Gerechtigheid en recht heeft Hij lief; Van Jahweh’s goedheid is de aarde vol.
6 Door het woord van Jahweh zijn de hemelen gemaakt, Door de adem van zijn mond heel hun heir;
7 Hij verzamelde het water der zee in een zak, Legde de oceanen in schuren op.
8 Heel de aarde moet Jahweh vrezen, Al de bewoners der wereld Hem duchten.
9 Want Hij sprak: en het was; Hij gebood: en het stond.
11 Maar Jahweh’s raadsbesluit staat in eeuwigheid vast: Wat zijn hart heeft bedacht, van geslacht tot geslacht.
16 Geen koning overwint door de macht van zijn heir, Geen held wordt gered door geweldige kracht;
18 Maar het oog van Jahweh rust op hen, die Hem vrezen, En die op zijn goedheid vertrouwen:
19 Om ze te redden van de dood, Ze in het leven te houden bij hongersnood.
20 Onze ziel blijft opzien tot Jahweh: Hij is onze hulp en ons schild;
21 In Hem verheugt zich ons hart, Wij vertrouwen op zijn heilige Naam.
22 Uw genade, o Jahweh, dale over ons neer, Naarmate wij op U blijven hopen!