1 Een lied; een psalm van Asaf. O God, houd U niet stil, Niet rustig en werkeloos, o God!
2 Want zie, uw vijanden razen, En uw haters steken hun hoofden omhoog.
3 Ze smeden listige plannen tegen uw volk, En spannen tegen uw beschermelingen samen:
4 “Komt, laat ons ze uitroeien uit de rij van de volken, Zodat men zelfs Israëls naam niet meer noemt!”
5 Ja, eensgezind hebben ze samengezworen, En een verbond gesloten tegen U:
7En Gebal, Ammon en Amalek, Filistea met de bewoners van Tyrus,
8Zelfs Assjoer sluit zich bij hen aan, En leent zijn arm aan de zonen van Lot.
17 Laat ze beschaamd staan en verbijsterd voor eeuwig, En in schande vergaan!
18 Dan zullen zij weten, dat “Jahweh” uw Naam is; Dat Gij de Allerhoogste zijt op heel de aarde, Gij alleen!