1 Een lied; een psalm van de zonen van Kore. Voor muziekbegeleiding; met de fluit. Een klaag- en leerdicht van Heman, den Ezrachiet. Jahweh, mijn God, overdag roep ik om hulp, En schrei des nachts voor uw aanschijn.
2 Laat mijn gebed voor uw aangezicht dringen; Luister toch naar mijn klagen.
3 Want mijn ziel is zat van ellende, Mijn leven het rijk der doden nabij;
8 Gij hebt mijn vrienden van mij vervreemd, En ze van mij laten walgen; Ik zit in de knel, en kan er niet uit,
10 Of doet Gij aan de doden nog wonderen, Staan de schimmen soms op, om U te loven?
13 Daarom, Jahweh, roep ik U aan, Treedt iedere morgen mijn bede U tegen.
14 Waarom zoudt Gij mij dan verstoten, o Jahweh, En mij uw aanschijn verbergen?
17 Als water omringen ze mij iedere dag, En sluiten mij helemaal in;
18 Gij hebt vrienden en makkers van mij vervreemd, En mijn bekenden door mijn ellende.