Wijsheid 19:1 nld1939 - Bible AI

1 Maar tegen de goddelozen woedde de gramschap Meedogenloos ten einde toe. Want Hij wist reeds tevoren, hoe ze zich zouden gedragen:

2 Hoe ze hun eerst zouden toestaan, weg te trekken, Zelfs zouden aandringen, heen te gaan, Maar dan, door spijt gedreven, hen zouden vervolgen.

5 Maar uw volk moest een wondere doortocht bekomen, Terwijl de anderen een ongewone dood zouden vinden.

8 Heel het volk trok er doorheen, Beschermd door uw hand, En aanschouwde vol verbazing uw wonderen.

9 Want zij waren als paarden, die ter weide gaan, Als huppelende lammeren, En loofden U, Heer, die hen had gered.

10 Zo dachten zij terug aan wat in het vreemde land was gebeurd: Hoe niet uit levende wezens, maar uit de aarde muggen kwamen, Hoe niet de waterdieren, maar de Nijl kikvorsen spuwde.

11Later zagen zij ook vogels op nieuwe wijze ontstaan, Toen zij uit zinnelust om lekkere spijzen vroegen;

12 Want om hun lust te voldoen, stegen er kwakkels op uit de zee.

14 Want terwijl anderen slechts onbekenden gastvrijheid weigerden, Hadden zij gasten, die weldoeners waren, tot slaven gemaakt.

17 Daarom werden ook zij als met blindheid geslagen, Zoals die anderen aan de deur van den rechtvaardige, Toen ieder, in dichte duisternis gehuld, De toegang zocht naar zijn eigen deur.

21 Daarentegen werd het vlees van tengere dieren Niet verzengd door de vlammen, waarin zij rondliepen, Noch het hemels voedsel gesmolten, Dat makkelijk wegdooit als ijs.

22 Want Gij, Heer, hebt uw volk In alles groot gemaakt en verheerlijkt; Gij hebt het nimmer verlaten, Maar altijd en overal geholpen!

PUBLIC DOMAIN
/div>